tekening randall
De VOF Moed en Vermaak levert journalistieke en creatieve teksten. Voorheen De Graeve & Dochters.

Speeches

Informatiedag Germaanse Filologie

 

Geachte dames, heren, allemaal,
Mij is gevraagd om te schetsen wat de universiteit betekend heeft voor mijn carrière. Ik zal dus niet lang spreken. ‘Vergeten’ zal een sleutelwoord zijn in wat ik ga vertellen. Aan de universiteit ontdekte ik de dichtregels die ik graag mijn levensmotto noem: Wie vindt, die heeft niet goed gezocht. Ik ben wel vergeten van wie die zijn.
Ik vertel misschien even wat ik vandaag doe.
Ik werk voor het televisieproductiehuis Woestijnvis. Daar maak ik voor de openbare omroep het programma De Slimste Mens Ter Wereld, met Erik Van Looy als presentator. Van de universiteit naar de kelders van het lichte entertainment dus. Daarnaast schrijf ik ook columns voor De Standaard. Ik ben tien jaar lang zelfstandige geweest en werk nu vast in dienst. In het verleden werkte ik voor vtm, vt4 en vrt, en schreef ik voor zowel Ons Erfdeel als Libelle, voor de Standaard, de Morgen en Dag Allemaal.
Ik heb een diploma Germaanse Filologie. Ik ben wel vergeten waar het ligt. Sinds die tijd een paar keer verhuisd.
Ik heb het nooit nodig gehad. Tenminste, ik heb het nooit moeten tonen. Je zou natuurlijk kunnen zeggen. Fijn, wat zit ik hier op zo’n infodag te doen? Ik doe vier jaar niks en zeg nadien bij het solliciteren dat ik ‘Letteren en Wijsbegeerte’ gestudeerd heb. Soms werkt dat. Filip Dewinter van het Vlaams Belang bijvoorbeeld heeft jarenlang met succes rondgebazuind dat hij ‘Politieke en Sociale Wetenschappen’ gestudeerd heeft, terwijl hij die opleiding nooit afmaakte. Dat is een optie. Zelf heb ik er geen spijt van dat ik de opleiding afgemaakt heb.
 
Waarom ben ik ooit begonnen aan de opleiding Germaanse Filologie? Ik mag dan wel veel vergeten zijn, maar er is er één flard gesprek uit mijn tienerjaren, intussen twintig jaar geleden, dat ik me levendig herinner, een cruciaal gesprek. De situatie: de tiener die ik was, zit in het laatste jaar van de humaniora en weet niet wat hij wil doen. Niet met zijn leven, en dus ook niet met zijn studiekeuze. Universiteit lijkt veel te moeilijk, is te onbekend en te abstract, alleen de gedachte eraan jaagt de jongen angst aan en van die infodag stak je ook al niet veel op.
De gesprekspartner: een twintiger, een hard werkende zelfstandige, de tekenaar, muzikant, grafisch vormgever Gert Dooreman, tevens vaste tafeltennispartner. Ik meen me nagenoeg woordelijk de volgende dialoog te herinneren:
-         Germaanse Filologie, ik durf dat helemaal niet! Dat is universiteit! Met professoren en zo! Ik zal wel iets anders doen. Ik word wel kinderjuf, of acteur.
-         Vergis u daar toch niet in, Sam, tenslotte heeft zelfs Herman Brusselmans universiteit gedaan. Zo moeilijk kan dat dus niet zijn.
-         Wie?
-         Herman Brusselmans, daar moet je zeker eens iets van lezen, erg geestig. Hij woont bij u achter de hoek. Ga er eens langs.
 
Ik ben langs geweest. Brusselmans bleek inderdaad niet alleen Letteren en Wijsbegeerte gestudeerd te hebben, hij heeft er ook de geestige roman ‘Prachtige Ogen’ geschreven, over zijn jaren aan de Blandijn. Een goede introductie.
 
Waarom zou je Letteren en Wijsbegeerte studeren?
 
Om leraar te worden. Dat wilde ik toch. Jullie herinneren het je ongetwijfeld beter dan ik, maar goede leraars zijn nauwelijks te vinden. Als ik ze al gehad heb, dan ben ik ze vergeten. Ik herinner er me nog één heel scherp.
Gerard, de leraar Duits, Engels, Nederland en Esthetica. Het dwingend volgen van het leerplan bestond nog niet. Gerard kwam binnen, rolde een sigaret, zei niks en keek ons intens aan. Dan vouwde hij handen in het hoofd, keek ons vol medelijden aan en zei: ‘waar zijn we mee bezig?’ Kijk, daar steek je iets van op.
Zo’n leraar wilde ik ook worden.
 
Ik vertelde aan Gerard over mijn twijfels over een studierichting. Moest ik kleuterleider worden, naar de toneelschool gaan, taxichauffeur worden of toch maar Germaanse Filologie studeren? Hij zei: ‘wat je ook kiest, wat je ook doet, als je 1/3e van de vakken graag doet, heb je de goede richting gekozen’.
De eerste maanden aan de universiteit zette ik bij elk vak streepjes of ik dit of dat vak nu al dan niet graag deed. Zeker is dat ik vandaag 1/3e van de vakken totaal, maar dan ook totaal vergeten ben, en ook de professoren die ze gaven. Mijn excuses dus aan hen die in de zaal zitten, het is niet expres.
Voor jullie die binnenkort studeren: laat het een aanmoediging zijn. Als je ooit zwoegt en zweet op een cursus en het echt niet meer ziet zitten: Het gaat voorbij, je bent het sneller vergeten dan je denkt.
 
 
Het is echt verbazend hoe je cursussen van vijfhonderd pagina’s kan zitten blokken en hoe je vijftien jaar later nauwelijks nog de titel van de cursus weet. Heel soms schiet me nog iets te binnen. Zo kon ik vorige week bij een zaalkwis nog scoren door het feit dat ik nog wist dat het Fins een agglutinerende taal is. Als dat geen troost is.
 
Maar goed. Ik koos dus voor Germaanse Filologie. Want ik wilde leraar worden en ik las graag. Het goede aan richtingen in de Letteren en Wijsbegeerte is dat je je zelden schuldig hoeft te voelen. Stel: je ligt op het strand, de zon schijnt, je hebt een zonnebril op, je bent goed ingesmeerd, je lief ligt naast je. Heerlijk. En: je bent aan het studeren, want je hebt een boek bij. Zoiets kan je echt minder makkelijk zeggen als je theoretische economie studeert.
 
Van het eerste jaar herinner ik me vooral dat elk vak ‘Inleiding tot’ heette. In de humaniora was dat niet zo. Ik vroeg me dan ook het hele jaar door af wanneer de vakken echt gingen beginnen.
 
De plezante nonkels, de tantes, de boekhandelaar om de hoek, de apotheker, gedurende de hele tijd dat ik aan de universiteit zat, zei zowat iedereen: ‘Geniet er zo intens mogelijk van, want het is de mooiste tijd van je leven.’
Kijk, dat is dus een deprimerende gedachte.
Dat betekent dat jullie hier in de zaal nog een paar maanden zorgeloos kunnen leven en dan enorm moeten genieten. Geen minuut rust is jullie dan nog gegund, want misschien ben je niet aan het genieten.
Nu weet ik dat het niet waar is. Je vindt de universiteit de mooiste tijd van je leven omdat je vergeten bent hoe afschuwelijk het soms was, hoe gruwelijk existentieel de crisissen zijn die je dan doormaakt. Of omdat je nadien in een vervelende job terechtgekomen bent, met een vrouw die toch niet zo fantastisch is als je dacht toen je ermee trouwde. Dat soort dingen. Omdat je niet meer zelf leeft, maar geleefd wordt. Door de wekker, door de kinderen, door dit en door dat. Omdat je nooit meer tijd vindt om te lezen.
 
Nu weet ik dat het niet waar is, maar toen ik studeerde vond ik het angstaanjagend om altijd te horen dat de beste tijd van mijn leven bezig was, daar en dan. Om tegendraads te zijn besloot ik dan maar geweldig depressief te zijn. Zo kan het later alleen maar beter worden. Mijn licentiaatsverhandeling ging over verhanging, over donkere seizoenen, herfstbladeren, onweerswolken en zelfmoordenaars, pscychisch. Over het naturalisme in het werk van AFTH Van der Heijden. Het hielp niet. Ik vond het heerlijk
om een drieduizend pagina’s tellende cyclus te lezen en te herlezen en altijd een somber boekje bij de hand te hebben.
 
In de humaniora zit je in een klas, aan de universiteit zit je in grotere groepen. Dat is een verbetering, maar het blijft een onder de kerktoren-sfeertje. Studenten blijven thuis wonen of, als ze al op kot gaan, gaan elk weekend naar huis. Dat is typisch aan ons land. In de ons omringende Europese landen gaan kinderen studeren en keren ze pas om de zoveel maanden naar huis. Dan verruim je je blik op de wereld makkelijker. Studeren in het buitenland is dus geen mogelijkheid, het is een verplichting.
Ik zat bij de eerste generatie Erasmus-studenten, en zag de kans schoon om mijn horizon te verruimen in Berlijn. Dat was niet vanzelfsprekend, want ik studeerde geen Duits, maar Engels Nederlands.
Ik ben in Berlijn dan maar Nederlandse literatuur gaan studeren. De professor heette, niet gelogen, Wim Hottentot, een Nederlander. We zaten met twintig studenten in de klas, negentien Duitsers en ikzelf, die mijn medeleerlingen erop attent maakte dat het niet Zyriel, maar Cyriel Buysse hoorde te zijn.
 
Ik heb me, naar aanleiding van deze bijeenkomst, afgevraagd wat ik aan de universiteit geleerd heb dat me later van pas is gekomen. Ik ben veel vergeten, onder meer hoe je correct Nederlands spreekt zonder dat daar de hele tijd een Gentse klankkleur insluipt, maar ik heb hier toch de gebruiksaanwijzing voor het leven leren lezen. Dat is niet vanzelfsprekend, want iedereen weet dat je de doorsnee gebruiksaanwijzing nooit helemaal leest. Ik heb hier geleerd dat de dingen meestal niet zijn wat ze lijken te zijn, maar ook heel concrete dingen zoals hoe je een tekst structureert, waar de hersens van Guido Gezelle op sterk water bewaard worden, en wat een Tante Betje-constructie is.
 
Maar vooral heb ik geleerd dat je het zelf moet doen. De universiteit gedoogt studenten. De professoren zijn richtingaanwijzers. Maar of je wagen start of niet, welke weg je gaat volgen, of je rap of traag gaat rijden, dat beslis je zelf.
 
Ik wilde leraar worden en ik ben het ook geworden. Na de Germaanse volgde ik de lerarenopleiding en al op de proclamatie hoorde ik dat men een leraar Nederlands zocht in een avondschool. Een job die ik iedereen kan aanbevelen.
Je komt net van de universiteit, bent vertrouwd met de moeilijkste grammaticale constructies, maar dan moet je je eigen taal van nul af aan uitleggen aan mensen die soms niet eens jouw alfabet kennen.
Maar geweldig leerrijk, voor de leerling én de leraar. Want je hebt de wereld in je klas. Ik had veertig studenten van negentien verschillende nationaliteiten.
 
Ik ben heel toevallig in televisieland gerold. Stephen Dewaele, vandaag zanger van Soulwax, toen mijn kameraad, wist dat ik als vakantiejob taxichauffeur was geweest. Opnieuw: een job die ik iedereen kan aanbevelen. Zijn vader, Zaki, ooit wereldberoemd in Vlaanderen, maakte een programma over taxi’s en vroeg of ik niet wilde meewerken. De trein, of beter, de taxi was vertrokken.
Intussen werk ik zo’n twaalf jaar in medialand. Ik ontmoet er veel germanisten, maar ook veel mensen die hun humaniora nooit afmaakten en zelf hun weg gekozen hebben. Gedreven mensen, die zelden pretenderen te weten hoe het zit, maar graag samen zoeken.
 
U bent talrijk gekomen. U bent verstandig, want er tijdig bij. Nog maar enkele maanden en de hogere studies beginnen. Er zijn hier veel ouders bij. Ik hoop dat ze vooral als chauffeur gekomen zijn en hier binnen zitten omdat er in het koffiehuis om de hoek geen tafeltje meer vrij was. Want de keuze voor een studierichting moeten jullie zelf maken. Jullie hebben de leeftijd en het recht om vanaf nu heel veel zelf te beslissen, behalve of je geslaagd bent of niet. Maar wel welke richting je gaat studeren, hoe je dat gaat doen, of je naar de les gaat gaan of niet, of je veel gaat fuiven of niet en ga zo nog maar even door.
 
Wie Letteren en Wijsbegeerte studeert, leert om vragen te stellen. Voor antwoorden hoef je de richting niet te volgen. Het is veel interessanter om goede vragen te stellen dan om goede antwoorden te geven. Let wel, dit is een filosofische gedachte die ik bij het eerste mondeling niet al te letterlijk in de praktijk zou brengen.
 
Schrijven is een manier om de wereld te ordenen, om vragen te leren formuleren. Op televisie werk ik, zoals gezegd, onder andere mee aan de kwis ‘De Slimste Mens Ter Wereld’. Daarin worden vragen gesteld waar nog een antwoord op te geven is. ‘Wie is Britney Spears?’ daar kan je een antwoord op formuleren. Maar er zijn veel meer andere vragen. Bijvoorbeeld: Waar moet het heen met deze wereld? Wat moeten we aan met zinloos geweld? Wat is de oplossing voor het Noord-Zuid-probleem? Hoe diepgaand moet de volgende staatshervorming zijn? Hoe laat is het? Waarom leven we eigenlijk?
Ik ben nu al benieuwd naar de antwoorden van jullie generatie op deze en andere vragen.
 
Nog enkele jaren en jullie vervoegen het werkende deel van de bevolking. Wat je ook gaat doen, doe het met vuur, met passie, met goesting. Slib niet dicht, blijf kritisch, koester je verwondering. Ik hoop dat ik jullie heb kunnen helpen om de juiste vragen te stellen. Ik hoop ook een aantal van jullie in de media te mogen begroeten en wil jullie nu graag bedanken voor jullie aandacht.
 
Dank u.