Blog
Walter De Mulder
‘De SS telde heel wat, maar niet alléén kampbeulen en beesten in zijn rangen. Veel Duitsers waren heel correct, ze stonden recht op de trein of tram voor vrouwen of oudere mensen. Op straat marcheerden die, zongen die. Kijk eens naar die helmen bijvoorbeeld, die hadden een totaal andere vorm dan de Belgische of de Engelse. De Amerikanen hebben dat overgenomen, zoveel jaren later. In de hals gaat dat licht golvend naar beneden. Die handgranaten waren met een houten handvat, die konden ze tussen hun gordels steken. Die mantels, die laarzen, alles, het woord ‘design’ bestond nog niet, maar zij hebben dat gelanceerd zonder het zelf te weten. Die vaandels, die wimpels en die film van Leni Riefenstahl, Triumph des Willens, één van de knapste films ooit, ongelooflijk schoon, dat je nu nog zegt: hoe hebben ze dat klaargespeeld? Dat zijn honderdduizenden perfect gecomponeerde foto’s die elkaar bewegend opvolgen. Met oranje en roodfilters, van op de grond gefilmd, in tegenlicht en in slow motion. De Schoonheid werd, in mijn ogen, vanuit Duitsland geïmporteerd naar hier, naar Vlaanderen, heel geraffineerd, heel misleidend.’
Hoe maakte je kennis met dat Duitse design?
Via een vriend op school leerde ik het blad Signaal kennen. Tweewekelijks, geloof ik, en in hoofdzaak met foto’s, toen al met dubbele pagina’s én in kleur. Het verscheen zelfs in het Nederlands. Ze stelden zich de vraag: Hoe kunnen we diegene die dat blad in handen krijgt, hoe kunnen we die manipuleren en over de grens trekken naar ons toe? Dat is hun jammer genoeg schitterend gelukt. Het is natuurlijk niet te controleren hoeveel miljoenen mensen zich daar laten aan vangen hebben. Hier liggen nog een paar nummers die ik vorig jaar gevonden heb op de rommelmarkt. Kijk, een ontmoeting tussen Mussolini en Hitler. Zonder flash gefotografeerd, met het bestaande licht. Prachtig. Of hier, die foto van die paarden, de kracht die daarvan uitgaat! Die oorlogsfotografen kregen een speciale opleiding. In de jaren vijftig had je hier geen enkele fotoschool, geen enkel fotoblad, maar in Duitsland had je er zes of zeven, de beeldcultuur stond dus wel een trapje hoger.
Natuurlijk hebben ze met een blad als Signaal veel mensen verblind. Zie die uniformen van de Hitlerjugend, zo schoon. Die botten, die schone schoentjes, geblonken, die open kraagjes, allemaal zo schoon recht.
Het blad Signaal deed je visueel ontwaken?
Ik was zeven jaar, dat had dus niks te maken met dat regime, of vervolging, of nazi’s, of concentratiekampen, ik wist daar als kleine jongen niks van, maar die beelden waren sterk bepalend. Er stonden ook schitterende tekeningen in van frontsituaties. Die tekenaar zat natuurlijk niet aan het front, maar hij wist de indruk te wekken dat zelf tussen de tanks en in de loopgraven te zitten. De manier waarop hij dat tekende, dat was onvoorstelbaar. Jaren later heb ik trouwens ontdekt dat diezelfde Liska, want zo heette hij, de hoezen van de grote dozen tekende van Märklintreintjes. Die heeft het dus overleefd.
Tekende je zelf ook?
Ik kon eigenlijk, al zeg ik het zelf, heel goed tekenen. Ik kon er uren en uren mee bezig zijn, niettegenstaande ik, en dat is nog zo, eigenlijk niet veel geduld heb, ik ben nog altijd een heel, heel onrustige gast. Ik tekende veel, ik schilderde veel, dat kwam door mijn moeder. Hoe dikwijls viel het woord ‘schoonheid’ niet bij ons thuis. Als wij in ons bed lagen, ’s ochtends vroeg, zei ze dingen als: ‘Sta maar op, je moet eens luisteren hoe schoon de merel al aan het zingen is’. ‘Kijk eens naar die wolken’. ‘Maar nu heb ik een schone schouw gezien’. ‘Kijk naar die deur, die is eigenlijk veel te breed. Zo’n deur zouden we ook nog moeten hebben, Prosper’ (tegen mijn vader). Het was onze moeder die ons er altijd op wees wat goed was en wat minder goed. Ik heb dat ook. Als ik de Ronde van Frankrijk of de Ronde van Vlaanderen volg, dan zit ik bijna evenveel te kijken naar de koerkes, de binnenkoerkes, de brievenbussen, de omheiningen, het wegdek, de bewegwijzering, hoe boerderijen en schuren tegen en naast elkaar zijn opgebouwd.
Ontwikkelde die passie zich verder op school?
School, dat ging niet zo goed. Ik heb vier of vijf scholen gedaan, lag altijd in de clinch. Het is goed afgelopen, maar mijn vader en mijn moeder moeten veel slapeloze nachten beleefd hebben met de vraag: wat moet er van die jongen worden, wat gaan we daarmee doen? Al mijn vrienden gingen maar verder, studeerden af, dat was piloot, dat was dokter, die speelden in de hoogste klasse en ik, ik speelde in provinciale. En ik tekende. Molens, boten, tulpen. In de gemeenteschool werd daar veel belang aan gehecht. Je moest niet alleen tulpen tekenen zoals ze waren, maar ook stileren. Ik deed dat geweldig graag, kreeg er ooit een speciale prijs voor en teken nog altijd. Mijn hand bijvoorbeeld, zoals dat hier nu zo ligt. Ik zie dat heel graag, zo’n hand. Handen tekenen leer je maar door het heel veel te doen. Bij het portretteren hou ik ook altijd veel rekening met de plaats en houding van handen. Dan ontdek je bijvoorbeeld dat de hand altijd witter is dan de kleur van het gezicht. In de donkere kamer moet je dat doordrukken, die witte huid. Dat duurt allemaal lang, voor je dat door hebt.
Je deed veel scholen, maar maakte je ook iets af?
Neen, ik ben naar school geweest tot de vierde moderne. En dan, ja, ik moest iets doen, ik kon niet thuis blijven en begon te werken op de fotogravure van Het volk. De foto’s moesten daar overgezet worden op zink, zowel van Het Volk als van de Volksmacht of van Raak. We kregen alle dagen tientallen foto’s onder ogen. Dan moest je al selecteren: die lucht is te bleek, die foto is niet goed. De eerste maanden moest ik de striptekeningen van Marc Sleen rasteren. Hij duidde aan waar dat moest, zeer rudimentair, zeer slordig. Meestal klopte het niet. Dus dacht ik: ik maak het donker op de voorgrond, dat geeft meer diepte. En tussen die bomen ga ik ook een beetje meer schaduw steken. Elke dag ging ik een klein beetje verder, elke dag dacht ik dat hij ging reageren. Maar hij heeft er nooit iets over gezegd, en ik vond het altijd boeiend plezierig om ’s anderendaags in de krant het effect te zien. Ik werkte dus mee aan de striptekeningen van Marc Sleen. En op een zekere dag, heel onverwacht, stond hij in onze werkkamer. Ik was heel erg geschrokken en dacht: Nu gebeurt het. Maar er gebeurde helemaal niks.
Je leerde bij de krant de fotografie kennen.
Ja, ik ging intussen ook naar een fotoclub, nam foto’s van de prestaties van mijn atletiekclub die al eens in de krant verschenen en na enkele jaren ging ik op leercontract bij een toen bekende Gentse fotograaf. De flash vasthouden, ogen openhouden, leren. Mijn tante woonde naast ons, die was niet getrouwd, die was modiste. Ze had een grote kelder. Als ik thuis kwam ging ik de kelder binnen, deed alle zaken weg, petroleumvuurtje aan, twee doeken om het licht af te dekken, en zo, tussen de kolen en de appels die aan het drogen waren, met een klein schaaltje en een klein vergroterken maakte ik mijn eerste foto’s. Als het gesneeuwd had, ging ik met mijn brommertje naar het groot park in Gent en dan fotografeerde ik gastjes die aan het spelen waren in de sneeuw. Ik noteerde hun adres en een paar dagen later klopte ik aan bij de moeder: mevrouw, ik heb uw kleine gefotografeerd, geen fotootje kopen? Na een paar jaar had ik het met dat leercontract ook gezien en ben ik zelfstandig geworden. Plechtige communies, huwelijken, dopen. De school, het leercontract, de eerste jaren als zelfstandige, het was een moeilijk begin, maar moest ik morgen herbeginnen, ik zou precies hetzelfde beroep kiezen. Mijn eerste foto’s maakte ik op mijn twaalfde, met een eenvoudig boxcameraatje en nog steeds is fotograferen mijn hobby. Hoeveel mensen kunnen dat zeggen, dat hun hobby hun beroep is en omgekeerd en dat heel uw leven lang, tot je 76 bent? Het is onvervangbaar. Ik doe het nog altijd even graag, ik geniet er nog altijd even sterk van. Dat gebeurt niet veel. Denk ik.
Meer en meer ben je geëvolueerd naar persfotografie?
Herman Selleslags is synoniem voor Humo, Stephan Vanfleteren en Filip Claus zijn De Morgen, Michiel Hendryckx de Standaard, en De Mulder, ik was synoniem voor De Bond. Dat is daar natuurlijk niet mee te vergelijken, al lag die oplage véél hoger, en werden mijn foto’s dus in veel grotere mate verspreid en bekend. Ineens mocht ik fotograferen wat ik wou. Ze publiceerden soms vier, vijf foto’s per nummer, soms op heel groot formaat. Alles wat met het leven te maken had. Oude mensen, een accident, een brand, kinderen, vuiligheid op straat, schooltaferelen, een heel grote waaier, de dagdagelijkse dingen die zich rondom u afspelen in beeld vastleggen. Dat groeide alsmaar verder, ook hun archief, en op den duur waren er andere bladen, ook Waalse, die foto’s overnamen. Ik schreef, onregelmatig, ook artikels in de Bond over fotografie en tentoonstellingen. Ook die werden in Wallonië overgenomen en vertaald. In De Standaard publiceerde ik ook nu en dan iets, dat ging allemaal heel snel. Ik werd gevraagd om in het atelier grafiek Sint-Lucas in Brussel les te geven, en later in Gent. Het kan dat ik toen te veel hooi op mijn vork genomen heb; voor ik het wist, gaf ik full-time les.
Deed je dat graag?
Ik zou graag nu pas les beginnen geven. Omdat ik iets rustiger geworden ben. Omdat ik toch wel met teveel dingen in mijn hoofd zat. Als de aandacht van de studenten verzwakte of er geen vragen meer gesteld werden, dan liet ik ze los. Dat was helemaal verkeerd natuurlijk. Sommige studenten zoals Eddy Vermeulen (Ever Meulen), Gerard Alsteens (Gal) of Gert Dooreman (de latere vormgever van o.a. Tom Lanoye) waren meer met tekenen bezig en die hadden dan zo’n groot talent dat ik zelf dacht, ja kijk, waarom moet ik die mannen hier nu opschepen met fotografie? Dat is verloren tijd. Ik had geen eigen atelier waar ik fotografen kon opleiden, het was een bijvak. Ik had dat met meer inzet, met meer zelfzekerheid moeten doen. Al gebeurt het regelmatig dat ik oud-leerlingen ontmoet die na twintig, dertig jaar zeggen toch blij te zijn dat meegekregen te hebben. Maar het hadden er meer moeten zijn, procentgewijs. Ik kon wel heel radicaal zijn in het bepalen wat goed was en wat niet. Ik heb de neiging gehad, niet alleen de neiging, maar het was ook zo, dat ik in de realiteit mijn stempel op hun werk drukte, maar ik zei dan wel meestal waaróm iets niet goed was of wel. Dat is heel belangrijk, je moet argumenteren, ik probeerde ze foto’s te leren lezen.
Dus ze mogen je bellen om nog les te komen geven?
Daar ga ik toch nog eens over moeten denken (lach)
Waar legde je eigenlijk de klemtoon op in die lessen?
Ik was nogal een fan van de Duitse school, volgde verschillende Duitse fototijdschriften op de voet en zo. De bekendste invloed was ongetwijfeld de Steinert Schule. Otto Steinert was een arts die zich helemaal op de fotografie had gestort. Hij lanceerde het begrip ‘subjectieve fotografie’. Maar natuurlijk, alle goede fotografie is subjectief, hij had waarschijnlijk achteraf al spijt van die term. Op een bepaald moment was er een tentoonstelling van hem en zijn leerlingen te zien in Brussel. Ik ging daar met mijn studenten heen en kreeg een klap in het gezicht. Miljaar, dacht ik, nú weet ik wat fotografie is. We spreken nu van de jaren zestig. Tot dan werden de meeste foto’s gemaakt op chamoispapier. Geen zuiver wit, geen zuiver zwart, het zwart diepbruin. Al die foto’s waren gemaakt op 50 op 60 cm. Een passe-partout errond en achter glas, op gelijke hoogte, Duitse degelijkheid. Portretten, landschappen, industrie, dat zat allemaal dooreen. In dezelfde periode ontdekte ik ook Das Deutsche Lichtbild. Dat verscheen al van in de jaren dertig, een jaarboek. Perfect gedrukt, met alleen foto’s van Duitse fotografen, zowel amateurs als beroepsfotografen. Daarin kwamen altijd diezelfde grote namen terug. Op den duur kende ik de belangrijkste allemaal. Het telefoonnummer en adres stond er bij, en een kort curriculum vitae. Op zekere dag besloot ik naar Hamburg te gaan. Alle fotografen die ik hoog aansloeg zaten daar, bij de redactie van Stern. Met een paar foto’s in een doos ben ik toen naar daar gereden, een hele dag rijden, duizend kilometer ver.
Je ging blind op avontuur uit?
Niet te geloven, ’s avonds kom ik daar toe en ik bel vanuit een telefooncel, ‘Gutenabend, ich bin een onbekende Vlaamse fotograaf, ik zou graag mijn foto’s willen tonen en uw foto’s willen zien. Een half uur nadien zat ik bij de toen beroemde Werner Bokelberg thuis. Die was verschillende keren bij Dali geweest. Een hele sessie, vijf, zes pagina’s in Stern, dubbele pagina’s, alleen maar over Dali. Al had ik eigenlijk gehoopt dat het Lebeck zou geweest zijn, ik kende zowel Bokelberg als Lebeck van naam en werk, door ‘Das Deutsche Lichtbild’.
En wie is Lebeck?
Iemand die vijf, zes keer door de redactie van Stern naar Romy Schneider gestuurd werd, die een echte vriendin werd. Ken je die foto van de Onafhankelijkheidsverklaring in Congo? Boudewijn staat recht en achter hem ligt zijn sabel. Die sabel wordt al lopend gestolen door een zwarte, die in de armen van Lebeck loopt. Een klassiek voorbeeld van een foto waar, op 1/125e seconde honderdduizenden franken mee verdiend zijn. Want die is heel de wereld rond geweest, hij stond op de juiste plaats. Bokelberg woonde toen voorlopig in het huis van Lebeck. Ik werd vriendelijk ontvangen en uitgenodigd om de dag nadien samen naar de redactie van Stern te gaan. Dertien fotografen zaten daar! Stern werd toen op meer dan een miljoen exemplaren gedrukt en in één keer, hokus pokus, zat ik tussen al die grote meneren waar ik jaren naar opgekeken had en waar ik geweldige bewondering voor had. De sfeer was echt hartelijk, ik werd diezelfde dag uitgenodigd op een verjaardagsfeestje. De Mulder daarnaar toe, en daar bleken de mannen van Die Zeit te zitten, eindredacteurs, mannen van de fotoredactie, buitengewoon vriendelijke mensen. Ik vraag me af hoe ik ooit het lef heb gehad om zoiets aan te durven. Ik kreeg nu en dan een opdracht van Stern of Die Zeit. Ze hielden enkele foto’s in archief en als er in hun krant iets verscheen rond Vlaanderen, dan telefoneerden ze of kreeg ik een telegram. Ze betaalden tien keer meer dan hier, voor dezelfde foto die in de Standaard of in de Bond verscheen. Vijftienhonderd frank in plaats van honderdvijftig frank. Zelfde materiaal, zelfde inspanning. Dat is natuurlijk zalig, echt een sprookje, die blokjes die allemaal op het juiste moment op de juiste plaats vallen.
Je maakte veel vrienden daar
Verschillende van hen zijn hier bij ons thuis nog op bezoek geweest. Zo ook Hans-Jörg-Anders. Die maakte een grote reportage over België, we trokken samen op pad. Ik fotografeerde toen –héél uitzonderlijk- in kleur. Hij ook. We stonden ergens rond Bentille aan het kanaal. Een rood oranje ondergaande zon, en de berm smeulend onder een uitdovende, ook oranjerode gloed. En, daartussen in, een oude schaapherder. Bij de opname stond ik letterlijk te vloeken van geluk en blijdschap omdat ik wist dat dit dé foto uit de reeks zou worden, een foto die alleen in kleur kon worden genomen. Maar nu komt het. Die foto van De Mulder stond over een dubbele pagina in Stern gedrukt. Met de naam van de man die de foto niet had genomen! Zoiets moest juist mij overkomen, de man die bekend stond als dé zwart-wit fotograaf, die iets tégen kleur heeft.
Je gaf les, je deed opdrachten voor De Bond en Duitse pers, bleef er nog tijd over voor eigen werk?
Ja, en dat werk is te zien op de tentoonstelling. Onder andere werkte ik jaren aan een reeks over buitenlandse fotografen, één over dirigenten, en één over artiesten allerhande. Nooit in opdracht, ik heb dat altijd alleen maar gedaan uit… Ja. waarom hebt ge die symfonie of dat boek geschreven, of dat schilderij gemaakt? Daar is geen antwoord voor. Mensen die niet schilderen of niet creatief bezig zijn, begrijpen dat niet, die hebben altijd behoefte aan een uitleg. Ik ben geïnteresseerd in klassieke muziek, ontdekte dat er omzeggens geen materiaal over bestond. Hoe vat je de schoonheid van muziek in fotografie, en hoe gedragen die beroemde mannen zich achter de schermen, dat was de uitdaging. Ik fotografeerde een reeks van buitenlandse topdirigenten, met alle grote namen, Claudio Abbado, Ricardo Muti, Ton Koopman, Nicolas Harnoncourt, Georg Solti, Roger Norrington, Simon Rattle. Alléén gedurende repetities. Von Karajan mocht ik niet fotograferen, maar dat was dan ook de meest arrogante en de meest pretentieuze dirigent. Het is me dan toch gelukt, ergens door een heel klein gaatje in een deur, de grootte van mijn lens, een gaatje waardoor ze controleren hoe veel volk er in de zaal zit. Die verboden foto is in Die Zeit verschenen toen hij stierf.
Die foto’s over artiesten, zit daar…
Dat is een reeks over Vlaamse artiesten. Het is niet mijn bedoeling te zeggen dat die voor mij het belangrijkste waren op dat moment, maar ik wilde die gewoon leren kennen, een inventaris maken. Die zijn genomen zoals ik u nu zou fotograferen. Bestaande licht, de toevallige omgeving, hoe ge op dat moment zit, dus niet in studio, niet met lampen, niet geënsceneerd. Zoals gij uw handen bijvoorbeeld nu op een voorbeeldige manier houdt om te fotograferen. Dat is het eigenlijk bij fotografen. Ik kan bijvoorbeeld, dat hebt ge nu al de hele tijd ondervonden, ik kan mijn ogen niet blijven richten in iemand anders ogen, dat gaat niet. Altijd constant alles aftasten en quoteren, visuele controle houden op wat gebeurt.
Je kijkt niet alleen niet in mijn ogen, maar ook naar buiten
Kijk, dat groen van die bladeren is al weer groener dan gisteren, dat licht zit daar schoon, al wat meer schaduw op de voorgrond. Ik heb jarenlang huwelijken gemaakt voor den brode. Ik deed dat heel graag. Elke foto die ik nam, moest goed genoeg zijn om tussen de foto’s van Steinert te hangen. Ik deed dat elke keer beter en beter en ik was ook een van de eerste, denk ik, die een hele reportage maakten alleen maar met kleinbeeld zonder kunstlicht, zonder flash. Dat was zo verschrikkelijk vermoeiend dat ik heel veel, heel dikwijls moeten braken heb toen ik thuiskwam. Of nadien een hele dag in bed lag met verschrikkelijke hoofdpijn. Van de zenuwen, want ik wilde aan niemand iets vragen. Aan niemand iets zeggen. Ik wilde de correcte, verantwoorde voyeur zijn van alles wat zich daar afspeelde. Altijd maar wachten. Zoals een bokser die wacht op het moment waarop hij kan toeslaan. Op 1/ 125e bevriezen. Als ik dan in de auto zat, bij het naar huis rijden, herinnerde ik me elk beeld precies: die kat zat zo, die heb ik zo genomen, die boom was daar afgesneden. Ik heb heel veel foto’s en heel weinig negatieven. Het is zo, ook al klinkt dat misschien pretentieus. Ik wilde altijd scherpschutter zijn. Geef me vijf patronen en vijf keer wil ik in de roos zitten.
Op late leeftijd ben je ook nog video’s beginnen maken.
Video vind ik nog aantrekkelijker als medium, als document. Ge hoort iemand lachen, ge ziet iemand, de tinteling in de ogen, hij beweegt, hij gaat achteruit, elk mens heeft die altijd maar terugkerende houding van een hand, zoals iedereen op een andere manier zijn sigaret vasthoudt, niettegenstaande dat ook gewoon een beweging van die twee vingers is. Het was een zoektocht, iets wat ik nog nooit had gedaan. In al die videoportretten die ik gemaakt heb, van Lieve Blancquaert tot Michaël Borremans, wil ik altijd een portret maken dat niet onmiddellijk verwijst naar wat hij of zij doen. Maar op de eerste plaats om die film nog eens te kunnen tonen na twintig, dertig of liefst na vijftig jaar. Ik maak die filmen eigenlijk altijd voor diegenen die overblijven. Kijk, dat was mijn vader, grootvader, mijn overgrootmoeder. Stel dat er nu nog ergens een foto opduikt van Keizer Karel die op een bankje zit met zijn rug tegen het Gravenkasteel. Hoeveel zou je daar mogen voor vragen? Dat is onvervangbaar. Daar mag je nog een schilderij naast zetten van de meest gelauwerde schilder die dat zo precies mogelijk geschilderd heeft. Ik kies voor het fotootje en ik denk iedereen. Op de tentoonstelling toon ik een videoportret van Patrick De Spiegelaere, in zijn werkkamer, zonder kunstlicht. Hij vertelt over fotografie, krijgt berichtjes van zijn zoon. Ik weet dat de betrokkenen daar heel gelukkig op zullen terugkijken. Of neem nu de foto’s die ik tussen 1960 en 2000 over het Vlaamse boerenleven gemaakt heb, dat zijn nu al foto’s die bijna uit de Middeleeuwen schijnen te komen. Mensen kunnen niet meer geloven dat het toen zo was. Eigenlijk vind ik dat ze van een of ander ministerie mij een miljoen mogen geven voor mijn archief, voor wat ik gedaan heb. Al zeg ik het zelf, het is een onvervangbaar document.
Je bent beïnvloed door de Duitse school, maar wat is je eigen poëtica?
Je moet zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid blijven. Ethiek is een heel belangrijk onderdeel van de fotografie. Een heel schone uitspraak, een van de schoonste die over fotografie gemaakt zijn: de fotograaf plundert en conserveert, klaagt aan en consacreert en dat alles tegelijk (Susan Sontag) een van de grootste en verstandigste vrouwen van Amerika geweest. Die heeft het klaargespeeld een boekje te schrijven, met als titel ‘Over fotografie’ en zonder één foto erin. Veel mensen vragen me hoe ik erin geslaagd ben om bijvoorbeeld honderden boeren en boerinnen, te fotograferen, die allemaal op een heel natuurlijke, vriendelijke manier kijken. Wat kan ik daarop antwoorden? Waarschijnlijk omdat zij mij vertrouwen. Ik heb daar geen verdienste aan. Men kan mij herkennen in de blik van diegene die ik gefotografeerd heb. Ik ben graag bij mensen, ik praat graag met mensen. Zoals nu. Gij die zoveel jonger zijt en ge komt hier aan een oude man vragen: wat denkt ge, wat ziet ge, hoe was dat, was dat juist, is dat correct, wat bedoel je daarmee? Als dat nu nog tien jaar duurt voor dat nog eens gebeurt, vind ik dat wel jammer. Waarschijnlijk nood aan erkenning.
Je bent nu 76 jaar. Gaat het beter met de zenuwen nu, is er een rust over je neergedaald?
Niet echt. Alles wat je ziet, wil je vasthouden. Alles wat je niet fotografeert, is verloren. Maar ik ben wel veranderd. Vroeger kon ik nooit op reis gaan zonder toestel. Ik kon dat wel opslaan in mijn geheugen, maar ik had het gevoel: als ik niet op het knopje druk, als ik dat niet vastleg, dan ben ik het kwijt, kan ik het niet meenemen naar huis. Nu kan ik dat wel, nu neem ik geen fototoestel meer mee op reis. Allez, eigenlijk gaan we niet meer op reis. Dat is het juiste antwoord. Onrust heb ik nog in heel sterke mate. Het is daarom dat ik niet meer mag fotograferen. Zelfs niet op het huwelijk van nichtjes en kozijntjes, waar ik geen enkele reden zou hebben om mij op te jagen. Ik ben nooit rustig geweest. Dat mag ook niet. Hoewel een grote fotograaf als Lebeck nooit onrustig was, denk ik. Ik zei hem: ik ben tot de vaststelling gekomen dat gij meer horizontale dan verticale foto’s hebt. Waarop zijn vrouw onmiddellijk: oh, maar hij is te lui om zijn camera te draaien.
Ben je dan helemaal gestopt met fotograferen?
Ja. Als je niet meer publiceert, besta je sowieso niet meer. Je kan het misschien een beetje vergelijken met een componist, die in zijn lade nog wat kwartetten heeft liggen en wat symfonieën die nog nooit zijn uitgevoerd. Die hij zelf kent, hij kan die noten lezen zoals een fotograaf de negatieven kan lezen. Zo heb ik nog duizenden negatieven die nog nooit gedrukt zijn. Ik heb ook geen donkere kamer meer. Ik vind dat je op een bepaald moment mag zeggen: het is genoeg geweest. Ik moet me niet schamen. En ook in die donkere kamer: ge zit alleen, het stinkt daar, ge hoort geen vogel en ge ziet geen wolken. En digitaal, daar zal ik wellicht nooit aan beginnen. Het trekt me niet aan. Patrick De Spiegelaere had het daar ook lastig mee, vond dat plastic, slechte chocolade. En die foto’s zijn niet beter, he! De foto’s die nu te zien zijn in de Sint-Pieters-abdij zijn gemaakt met de oude Leica van vijftig jaar terug,. Ze hebben hun eigenheid, hun eigen kenmerk, ze vormen één geheel, ze zijn leesbaar. Ze zijn grafisch interessant, compositorisch interessant, het moment is juist, zo hoort het. Het gevaarlijke aan al wat met die computers te maken heeft, is dat die machine u eigenlijk helemaal in zijn macht heeft. Men heeft niet de discipline of de kracht om te zeggen: tot hier. Men zit almaar te prutsen: dat oogje nog een beetje, de achtergrond een beetje verdoezelen en daar een boompje bij zetten. Er wordt aan gefoefeld. Als je dan weet dat ALLES kan in dat digitaal circuit, dan vind ik, dat is als Jerommeke die zonder enige moeite een tram boven zijn hoofd tilt. Ik vind dat niet meer plezant.






RSS onderwerpen
